Stikstofplannen leiden tot forse krimp veehouderij
De Nederlandse veehouderij staat de komende jaren een forse krimp te wachten als gevolg van bestaand beleid en de aanvullende stikstofmaatregelen van het kabinet. Niet alleen de veestapel en het aantal boeren neemt af, ook de toeleverende en verwerkende industrie ondervindt de gevolgen. Volgens Wageningen Social & Economic Research (WSER) daalt de werkgelegenheid in het veehouderijcomplex met 12 tot 25 procent.
De onderzoekers verwachten dat de maatregelen leiden tot een verdere afname van de veestapel tot 2035. De gevolgen beperken zich niet tot de primaire veehouderij, maar werken door in de hele keten van veevoerproducenten, dienstverleners, slachterijen en zuivelverwerkers. Ook zonder aanvullende stikstofmaatregelen zou de veehouderij de komende jaren krimpen. Als gevolg van bestaand beleid wordt voor 2035 een daling van de toegevoegde waarde van het veehouderijcomplex met 5,4 procent verwacht ten opzichte van 2024. De werkgelegenheid neemt in dat scenario met 4,3 procent af. De aanvullende stikstofmaatregelen versterken deze ontwikkeling.
Tot 28.000 arbeidsjaren minder
WUR berekent dat de aanvullende stikstofmaatregelen de jaarlijkse toegevoegde waarde van de onderzochte veehouderijcomplexen in 2035 met 1,27 tot 2,67 miljard euro kunnen verminderen ten opzichte van de ontwikkeling bij uitsluitend bestaand beleid. Dat komt overeen met een extra daling van ongeveer 12 tot 25 procent. De totale toegevoegde waarde van het veehouderijcomplex komt daarmee uit op 8,25 tot 9,65 miljard euro. Ook de werkgelegenheid wordt fors geraakt. De onderzoekers verwachten een aanvullende afname van 14.000 tot 28.000 arbeidsjaren. Daarmee zou de werkgelegenheid in de onderzochte veehouderijcomplexen in 2035 uitkomen op 83.000 tot 97.000 arbeidsjaren, tegenover 117.000 in 2024.
Ook kalverhouderij wordt geraakt
Vooral het melkveecomplex levert een grote bijdrage aan de verwachte economische krimp, gevolgd door de varkenshouderij en de vleeskalverhouderij. De gevolgen zijn ook merkbaar bij bedrijven die afhankelijk zijn van de Nederlandse veehouderij. Zo kunnen veevoerproducenten, agrarische dienstverleners, zuivelverwerkers en varkens- en kalverslachterijen te maken krijgen met een afnemende vraag of een kleinere aanvoer van dieren en grondstoffen.
Grote investeringen noodzakelijk
Naast de verwachte krimp van de veestapel zullen blijvende veehouderijbedrijven aanzienlijke investeringen moeten doen om aan de nieuwe emissie-eisen te voldoen. Vooral de combinatie van bedrijfsspecifieke emissienormen, gebiedsgerichte maatregelen en bestaande regelgeving kan grote financiële gevolgen hebben.
Voor de melkveehouderij zijn de voorgestelde emissienormen al gedeeltelijk doorgerekend. Uit gegevens van een steekproef van melkveebedrijven blijkt dat minder dan 5 procent momenteel aan de voorgestelde normen voldoet. Alleen aanpassingen in het rantsoen zijn volgens de onderzoekers onvoldoende om de doelen voor 2035 te halen. Ook investeringen in staltechnieken en aanvullende managementmaatregelen zullen noodzakelijk zijn.
Meer kansen voor grote bedrijven
Voor de varkenshouderij, pluimveehouderij en vleeskalverhouderij zijn de definitieve emissienormen nog niet vastgesteld. Deze worden naar verwachting in het voorjaar van 2027 uitgewerkt. Volgens WUR zullen de eisen waarschijnlijk niet alleen gevolgen hebben voor nieuwbouw, maar ook voor bestaande stallen. Een aanzienlijk deel van de intensieve veehouderijbedrijven zal vermoedelijk fors moeten investeren om bestaande huisvesting aan te passen of te vervangen.
De onderzoekers verwachten dat vooral grotere veehouderijbedrijven voldoende financiële mogelijkheden hebben om hun bedrijfsvoering aan te passen en een toekomstperspectief te behouden. Kleinere bedrijven, bedrijven met beperkte investeringsruimte en ondernemingen zonder opvolger lopen een groter risico om versneld te stoppen.
Ook nog gebiedsgerichte maatregelen
Daar komt bij dat de nieuwe stikstofmaatregelen bovenop bestaande verplichtingen komen, zoals het vervallen van de derogatie, de aanscherping van het mestbeleid en toekomstige dierenwelzijnseisen. De gezamenlijke financiële gevolgen van deze verplichtingen zijn nog niet volledig doorgerekend. Naast de landelijke emissienormen kunnen gebiedsgerichte maatregelen grote gevolgen hebben. Volgens WUR hebben ongeveer 9.000 landbouwbedrijven een deel van hun grond binnen de onderzochte zones rond Natura 2000-gebieden. Dat komt overeen met 18 procent van de grondgebonden landbouwbedrijven. De onderzoekers benadrukken dat dit een overschatting is, omdat nog niet vaststaat rond welke natuurgebieden daadwerkelijk aanvullende beperkingen gaan gelden.
Voedselzekerheid niet in gevaar
Voor melkveehouders komt daar de voorgestelde grondgebondenheidsnorm van 2,6 grootvee-eenheden per hectare bij. Ruim 3.300 melkveebedrijven voldoen momenteel niet aan deze norm. Voor ongeveer twee derde van deze bedrijven vergt het halen van de norm een aanzienlijke inspanning. Ondanks de verwachte krimp van de veehouderij komt de Nederlandse voedselzekerheid volgens WUR niet in gevaar. Nederland produceert van vrijwel alle dierlijke producten meer dan het zelf consumeert. Een lagere productie zal daardoor vooral leiden tot minder export.
Lees ook
Meest gelezen
Agenda
-
Er zijn momenteel geen evenementen gepland


